Brandbrief strafrechtadvocatuur

Al in 2022, in een openbare ‘brandbrief’, spraken vele tientallen strafrechtadvocaten hun bezorgdheid uit over de eerlijkheid van het strafproces in zogeheten ‘PGP-zaken’. Nu, 2,5 jaar na dato, zijn deze zorgen bepaald niet weggenomen. Integendeel, onze ervaringen in het leveren van rechtsbijstand in honderden van dit soort zaken, nopen ons deze tweede ‘brandbrief’.


Elke verdachte heeft het recht op een eerlijk strafproces


Hoe zwaar de beschuldiging ook is en hoe gerechtvaardigd die voor de buitenstaander ook mag lijken, gedurende het strafproces dient een verdachte door eenieder te worden vermoed onschuldig te zijn. Het is ook mede om die reden dat elke verdachte het recht op informatie heeft en het recht op tegenspraak – onder meer via de mogelijkheid van het ondervragen van getuigen – om zich vervolgens effectief te kunnen verdedigen/ uit te spreken voor een rechterlijk college zonder enige vooringenomenheid en zonder dat hem of haar beslissingen uit andere zaken wordt tegengeworpen. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in dit verband:

 

In the light of the principle of presumption of innocence and a defendant’s right to challenge any evidence against him, a criminal court must conduct a full, independent and comprehensive examination and assessment of the admissibility and reliability of evidence pertaining to the determination of the defendant’s guilt, irrespective of how the same evidence may have been assessed in any other proceedings.

 

“PGP-zaken”: ontoelaatbare oordeelsvorming en ontoelaatbaar overnemen van oordelen

De meeste “PGP-zaken” van de afgelopen jaren betreffen strafzaken waarin sprake is van zware beschuldigingen en de dreiging van jarenlange gevangenisstraf, gebaseerd op bewijsmateriaal (“data”) uit de interceptie van telecommunicatie van de diensten EncroChat en SkyECC.


Ontoelaatbare oordeelsvorming


Anders dan in ‘normale strafzaken’ krijgen verdachten in EncroChat- en SkyECC-zaken tot dusverre niet de mogelijkheid om de rechtmatigheid en betrouwbaarheid te (laten) toetsen van (de verkrijging en verwerking van) voornoemde data, doorgaans hét doorslaggevende bewijs. Die rechtmatigheid en betrouwbaarheid wordt namelijk verondersteld omdat dit bewijs zou zijn verkregen door Frankrijk, in of vanuit Frankrijk en bovenal onder verantwoordelijkheid van Frankrijk. Verzoeken en verweren met betrekking tot de rechtmatigheid en betrouwbaarheid stuiten daarom steevast af op het zogenaamde vertrouwensbeginsel.


De Hoge Raad heeft in 2023, ter beantwoording van prejudiciële vragen, evenwel overwogen dat de aard en omvang van samenwerking met Frankrijk of het initiatief (tot de interceptie) van Nederland kan leiden tot (mede)verantwoordelijkheid van Nederland en (dus) tot nuancering of zelfs niet-toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel. Desalniettemin worden concrete verzoeken die zijn gericht op het vaststellen van de feitelijke aard en omvang van deze samenwerking of de mate van initiatief, om de stelling te kunnen onderbouwen dat het vertrouwensbeginsel (dus) niet op gaat, steevast afgewezen met als motivering dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is. Daarmee is evident sprake van ontoelaatbare oordeelsvorming (nota bene in een cirkelredenering). Dit klemt temeer nu de verzoeken van de verdediging veelal zijn voorzien van serieus te nemen feitelijke aanwijzingen dat minst genomen sprake is geweest van relevante samenwerking/ initiatief.

 

Een recent, prangend voorbeeld is de tussenbeslissing van het Amsterdamse gerechtshof in het onderzoek ‘Wemela’ naar aanleiding van het recent bekend geworden Franse document ‘D2’. In dat document stelt Frankrijk dat Nederland het initiatief nam, maar worden verzoeken om na te gaan of op de Franse informatie mag worden vertrouwd, afgewezen met het oordeel dat Nederland niet het initiatief heeft genomen. Een cirkelredenering, vergelijkbaar met afwijzing van een ‘noodweergetuige’ met het argument dat van noodweer geen sprake is. Zowel uit het wettelijk systeem als de logica volgt de ontoelaatbaarheid: eerst feitelijk onderzoeken, dan pas oordelen.


Ontoelaatbaar overnemen van oordelen over het bewijs


Dat vertegenwoordigers van het OM zich in EncroChat-en SkyECC-zaken veelal opstellen als “één en ondeelbare” spreekbuis van het Landelijk Parket, is tot daar aan toe. Ontoelaatbaar echter, want in strijd met het EVRM/ voornoemde rechtspraak en overigens het nationale recht, is dat ook de ‘controlerende’ rechterlijke macht zich – zelfs in de fase van het onderzoek ter terechtzitting – steeds vaker opstelt als ‘een en ondeelbaar’. Rechters nemen steeds vaker, één-op-één, niet alleen (rechts)overwegingen, maar zelfs complete ‘feitenvaststellingen’ over uit (tussen)uitspraken in andere zaken (zonder de (exacte) argumenten/ verzoeken of verweren uit die andere zaak te kennen).


Ook hiervan is de recente tussenbeslissing van het gerechtshof Amsterdam een prangend voorbeeld. Direct na de onverwijlde publicatie van deze uitspraak werd door andere rechters in den lande overeenkomstig beslist en in de motivering volstaan met simpele verwijzing naar deze uitspraak.

 

Conclusie


Deze twee ontwikkelingen beroven de individuele verdachte van de mogelijkheid tot controle/ (tegen)onderzoek naar en (dus) van doeltreffend commentaar op het hem/ haar belastende bewijs en daarmee van het recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak. Dat geldt eens te meer in het geval dat blijkt dat sprake is van een onvolledige én onjuiste informatievoorziening vanuit het openbaar ministerie.


Wij zien ons op grond van het voorgaande – andermaal – genoodzaakt om ons gezamenlijk uit te spreken richting de rechtspraak. Met name in Encrochat- en SkyECC-zaken is – in de fase van het onderzoek ter terechtzitting – inmiddels systematisch – sprake van ontoelaatbare oordeelsvorming. Dat het veelal gaat om verdenking van ernstige misdrijven vormt evident geen rechtvaardiging. Van de rechterlijke macht wordt immers niet meer, maar ook niet minder verlangd dan “volledig, onafhankelijk en grondig onderzoek te doen naar en te oordelen over” de onbetwistbare feiten en het toepasselijk recht. Het zal best wat werk zijn, maar het is hoogste tijd dat het wordt gedaan. Elke onschuldig vermoede verdachte heeft het recht op een eerlijk proces, ook als dat ongemakkelijk voelt. Juist daarin onderscheidt en bewijst zich de rechtsstaat.

 

 

 

17 juni 2025, Utrecht

 

 

 

 

Ondertekenaars:

 

Ruud van Boom, Justus Reisinger, Sjoerd van Berge Henegouwen, Idriss van Straalen, Bart Welvaart, Arne Kloosterman, Jan Zevenboom, Ruben den Riet, Suna Polat, Nathan van Boekel, Dennis Vlielander, Justus Faber, Mark Teurlings, Jill Leyten, Fabian Siccama, Jan-Hein Kuijpers, Michel van Stratum, Sanne Schuurman, Lily van Poucke, Jan Sneep, Fébe Schoolderman, Joris Kersemaekers, Ruben Poppelaars, Gerald Roethof, Sicco Wester, Rob Zilver, Lejla Ibisevic, Nancy Dekens, Mark Broere, Ronald van der Graaf, Guy Koppen, Bart Nooitgedagt, Maarten Hoevers, Tirza Joemman, Menno Heinen, Bas van Faassen, Yannick Quint, Jordi L’Homme, Remko Oerlemans, Tony Boersma, Bas Ruijters, Tarkan Kocabas, Geoffrey Woodrow, Yassine Bouchikhi, Caspar Jansen, Hans Otto den Otter, Raymond Frijns, Louis de Leon, Teddy Arkesteijn, Michelle Schmit, Jan Visscher, David Penn, Özlem Saki, Willem van Vliet, Henk Halfers, Guy Weski, Marco Bos, Ed Manders, David Rutten, Mariëtte van Pelt, Wouter Hendrickx, Martijn van Wijk, Arthur van der Biezen, Machteld Roethof, Daniëlle Schaddelee, Marcello Jansen, Karin Blonk, Joost Vedder, Ilse van der Meer, Michiel Lamers, Francoise Landerloo, Noortje Lut, Mark Dunsbergen, Alfons Bals, Minke Greeven, Sarah Melliti, Renée Vermeulen, Marijn Zuketto, Rob Verploegh, Esther Blok, Michael Berndsen, Arnout Schadd, Bas Janssen, Henk Koopman, Freek van der Brugge, Sjoerd van Galen, Kamil Karakaya, Xander Sijmons, Felix Laros, Wenzel Tuma, Manon Aalmoes, Bas Kurvers, Gabriëlle Vermaak, Cem Kekik, Gitte Stevens en Leanne Toet.